´Ad fontes´ is het motto van Sebastien Valkenberg. Ofwel: terug naar de bron. In zijn columns, essays en spreekbeurten grijpt hij terug op het denkwerk van grote filosofen. Zij bieden het beste weerwerk tegen slordig redeneren, modieuze denkbeelden en fact free filosofie.

De nobele leugen van de cultuurchristen

Vuurwerk

Hoeveel christenen moesten zich de afgelopen dagen melden bij de supersnelrechter wegens wangedrag tijdens de jaarwisseling? Weinig tot geen, mogen we aannemen. Volgens een populaire opvatting zorgt het geloof immers voor een solide moraal. Omgekeerd zou de afwezigheid van een godsgeloof leiden tot bandeloosheid en andersoortige morele ontsporingen.

De meest recente verdediger van deze gedachte is Simon Critchley, een hoogleraar filosofie aan de New School in New York. Gretig stortten de media – Filosofie Magazine, de Volkskrant – zich op zijn nieuwste boek ‘The Faith of the Faithless’ (2012). Hoewel hij atheïst is, wijst hij in zijn boek op het onschatbare belang van godsdienst. Een van de zegeningen zou zijn dat het bij ons een slecht geweten kweekt dat alarm slaat bij misdragingen. De behoefte hieraan is groot omdat in zijn optiek cynisme en hol pragmatisme alomtegenwoordig zijn.

Door zelf niet te geloven in een opperwezen dat goed en kwaad bewaakt, maar godsdienst wel te beschouwen als remedie tegen de kwalen van de huidige tijd, lijkt Critchley op een slager die de heilzame werking van het vegetarisme bezingt. De vraag is dan ook gerechtvaardigd hoe geloofwaardig de positie is die Critchley verdedigt.

In elk geval staat hij verre van alleen met zijn pleidooi. Er lijkt zowaar sprake van een bescheiden hausse aan denkers die een religieuze herbewapening bepleiten. Zo flirtte de Engelse filosoof Alain de Botton in ‘Religie voor atheïsten’ (2011) op vergelijkbare wijze met het geloof, en ook een liberaal als Frits Bolkenstein hamert regelmatig op het grote belang van het christendom.

Aanhangers van deze instrumentele visie op het christelijk geloof heten ‘cultuurchristenen’. Ze laten de vraag naar het bestaan van een godheid links liggen of beantwoorden haar negatief. Zo ook De Botton. “Waar het werkelijk om gaat is niet zozeer de vraag of God bestaat”, zegt hij in zijn religieboek, “maar hoe je verder redeneert wanneer je hebt besloten dat dit uiteraard niet het geval is.” Cultuurchristenen herleiden hun waardering voor het geloof tot de positieve effecten die het zou hebben, zowel in ons persoonlijke leven als op maatschappelijk niveau.

Het cultuurchristendom heeft lange wortels – heel lange wortels. Met hun pleidooien voor hernieuwde religiositeit zijn Critchley en De Botton de nazaten van Voltaire. Hoewel deze Franse denker uit de achttiende eeuw een vertegenwoordiger is van de rationalistische Verlichting, heeft hij nooit de frontale aanval ingezet op het geloof. Daarvoor achtte hij het maatschappelijke nut te groot. “Het staat buiten kijf”, stelt Voltaire in zijn ‘Filosofisch Woordenboek’ (1765), “dat het in een beschaafde staat eindeloos veel nuttiger is een godsdienst te hebben (zelfs al is het een slechte) dan om er helemaal geen te hebben.”

Beschaafd zijn is volgens deze redenering in ieder geval ook gelovig zijn. Logischerwijs is een maatschappij vol atheïsten het absolute spookbeeld. Zij erkennen immers geen opperwezen die als een kosmische politieman mensen middels straffen en beloningen in het gareel brengt.

De theorie staat echter op gespannen voet met de praktijk. Het percentage christenen dat voor de supersnelrechter moest verschijnen zou wel eens opmerkelijk hoog kunnen zijn. Want wat bleek uit een onderzoek door het Reformatorisch Dagblad? De schade rond Oud en Nieuw is steevast groter in gemeenten waar de SGP of ChristenUnie de grootste partij is, dan elders in het land.

Het is een verrassende relativering van het beeld van de Randstad als de hedendaagse incarnatie van Sodom en Gomorra. Juist in Zaltbommel, Staphorst en Kampen gaan rond de jaarwisseling de remmen pas los.

Bij het veronderstelde verband tussen geloof en goed gedrag zijn meer kanttekeningen te plaatsen.

In zijn essaybundel ‘Moderne papoea’s’ (2003) vraagt de Leidse rechtsfilosoof Paul Cliteur zich af hoe het moreel verval in een land als Italië valt te verklaren, waarin het katholicisme een steviger greep op de mensen heeft dan in de decadente Lage Landen. Het geloof heeft in Italië kennelijk niet tot een hogere morele standaard geleid.

Recent onderzoek ondersteunt de these van Cliteur. Uit de Corruption Perceptions Index die eind 2012 verscheen, bleek dat er slechts acht landen zijn die minder corrupt zijn dan het (relatief) goddeloze Nederland. Ter vergelijking: op deze ranglijst staat het katholieke Italië op de 72ste plaats.

Het uitgangspunt waarop cultuurchristenen zich baseren – moraal schreeuwt om godsdienst – is dus lang niet zo vanzelfsprekend als wordt aangenomen. Maar daarnaast is er een fundamenteler bezwaar dat hun positie moeilijk houdbaar maakt. Het is namelijk maar de vraag of hun pragmatische omgang met het geloof mensen zal doen besluiten zich hiertoe te bekeren. In hoeverre is het mogelijk anderen een wereldbeeld aan te smeren dat je zelf niet of maar half gelooft?

Het bestaan van een opperwezen ontkennen, maar er wel van uitgaan dat de samenleving diens leefregels overneemt of zich daar op zijn minst door laat inspireren. Deze constructie herinnert aan het voorstel dat de Griekse filosoof Plato 2500 jaar geleden deed in zijn ‘Politeia’ (ca. 380 voor Christus). Dit boek gaat over de beste staatsinrichting en de vraag hoe we de maatschappelijke vrede kunnen bewaren. Een van de manieren om deze harmonie te bewerkstelligen is via een noodzakelijke of nobele leugen.

Deze leugen presenteert hij via een tweegesprek dat gaat over volmaakte burgers. Ze moeten gaan geloven in een pseudo-religieuze mythe die vertelt dat iedereen ‘in de schoot der aarde gevormd en gevoed’ werd, ook al weten de twee gesprekspartners dat het zo in werkelijkheid niet is gegaan.

De boodschap die bij de bevolking moet worden ingeprent luidt dat iedereen in wezen gelijk is. Aanvankelijk is er nog enige schroom om haar op deze manier een rad voor ogen te draaien. Het doel rechtvaardigt echter de middelen. Wat is de beste manier om burgers tegemoet te treden volgens de gespreksgenoten in de Platoonse dialoog? “‘Gij allen die deze stad bewoont, zijt dus broeders”, zullen we hun in onze fabel voorhouden.”

Er spreekt een zeker elitarisme uit de samenzwering die Plato voorschrijft. Zelf doorzien de samenzweerders de fabel; zij hebben haar niet nodig om goede burgers te zijn. Het gros van de mensen daarentegen is hiertoe slechts in staat met behulp van een ‘nobele leugen’.

Een vergelijkbaar dédain verraadt ook Alain de Botton in zijn rehabilitatie van het geloof. In een boekrecensie stoorde The Guardian zich aan de onoprechtheid die hierachter schuilgaat. De Britse krant sprak over een ‘verbijsterend schaamteloze onderneming’ en vatte zijn werkwijze als volgt samen: “Ik geloof zelf niet, maar in politiek opzicht is het verstandig dat u het wel doet.”

Deze pijnlijke spagaat is kenmerkend voor het cultuurchristendom als zodanig. Ook Critchley valt er aan ten prooi. Zijn klacht is dat cynisme en pragmatisme welig tieren. Maar de vraag dringt zich op of hij niet juist dichterbij brengt wat hij hoopt te vermijden. Hij pleit voor het geloof zonder zelf oprecht te geloven. Die benadering is in het gunstigste geval pragmatisch en in het ergste geval cynisch. Het is dan ook een onwaarschijnlijk recept voor een rustige jaarwisseling.

Bron: Trouw 5 januari 2013

Geef een reactie