´Ad fontes´ is het motto van Sebastien Valkenberg. Ofwel: terug naar de bron. In zijn columns, essays en spreekbeurten grijpt hij terug op het denkwerk van grote filosofen. Zij bieden het beste weerwerk tegen slordig redeneren, modieuze denkbeelden en fact free filosofie.

De overheid als grote gelijkmaker

Mielew3240

De ontevredenheid van de Groningse minima haalde eind vorig jaar de landelijke media. De gemeente gaf hun tweedehandscomputers en tv’s. Uit een onderzoek naar de zogeheten witgoedregeling bleek dat velen de apparatuur maar matig konden waarderen. Ze hadden liever nieuwe apparatuur. “Helaas was het niet mogelijk om een platte televisie te krijgen”, was één van de reacties.

Het bericht leidde tot felle reacties van mensen die de minima ondankbaar vonden. Toch verdient de rol van de overheid ook aandacht. Tot op zekere hoogte heeft zij de onvrede over zichzelf afgeroepen. De afgelopen jaren zag zij het als haar taak om maatschappelijke verschillen te verkleinen. Als de verwachting vervolgens niet of deels worden ingelost, leidt dat tot teleurstelling.

Hoe zag het aanvankelijke verwachtingspatroon eruit? Ergens voor de economische crisis uitbrak, liet toenmalig SP-wethouder Peter Verschuren weten dat de vergoeding was opgetrokken van 170 euro naar 450 euro. Dan hoefde men tenminste niet ‘de allergoedkoopste zwartwit-tv die nog ergens in de hoek stond’ te kopen. De ergste noden lenigen was niet ambitieus genoeg. De lat voor de overheid lag hoger. Klaarblijkelijk zag ze het als taak om ervoor te zorgen dat iedereen deelt in de welvaart.

Deze benadering staat op gespannen voet met de gangbare zienswijze. Die stelt dat de afgelopen decennia in het teken stonden van een overheid die zich steeds verder heeft teruggetrokken. De praktijk laat anders zien. De overheid is de laatste decennia almaar uitgedijd. In 1972 gaf ze ‘slechts’ iets meer dan 40 procent uit van het bnp, aldus het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), waar in 2012 de collectieve uitgaven meer dan 50 procent bedroegen.

Het zal niet eenvoudig zijn die terug te dringen, waarschuwde de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling (RMO) in de zomer van 2013. De reflex van de overheid is om in te grijpen als er verschillen dreigen. Het RMO-rapport ‘Terugtreden is vooruitzien’ wijt dat aan de verzorgingsstaat, die in de loop der tijd is veranderd. Van ‘sociaal vangnet’ is hij ‘verworden tot een gelijkheidsfuik’.

Deze sluipende ontwikkeling voorspelde de Franse denker Alexis de Tocqueville zo’n 180 jaar geleden al. In 1835 verscheen ‘Over het pauperisme’. Hierin deed hij verslag van zijn reis door Groot-Brittannië, die hij een paar jaar eerder had gemaakt. Met eigen ogen wilde hij de maatschappelijke gevolgen zien van de industriële revolutie.

Wat hij zag, trof hem als paradoxaal. Hij schreef: ‘De landen waar de toestand het meest erbarmelijk lijkt, blijken in werkelijkheid het minste armen te tellen, en bij de naties die we om hun welvaart bewonderen, blijkt een deel van de bevolking genoodzaakt een beroep te doen op de giften van het andere deel om in leven te blijven.’ In de laatste categorie viel Groot-Brittannië. Hartstikke rijk, maar tegelijk zeer royaal met uitkeringen.

Deze paradox tref je ook aan in Nederland anno nu. Enerzijds behoort het tot de allerrijkste landen van de EU. Anderzijds rekende het CBS in de zomer van 2013 voor dat maar liefst 90 procent van alle huishoudens in Nederland gebruikmaakt van sociale regelingen en voorzieningen. De ene keer betreft het kindgebonden budget, de andere keer huurtoeslag.

Hoe is dat mogelijk? Tocqueville noteerde al dat men armoedebestrijding gaandeweg steeds ruimer is gaan opvatten. Ooit stond armoe gelijk aan de afwezigheid van basale voorzieningen als voedsel. In de overgang naar een ontwikkelde samenleving raakten deze min of meer gegarandeerd. Nu ging de bevolking de afwezigheid van luxeartikelen als een gemis ervaren. Ter illustratie verwijst Tocqueville naar tabak. Onnodig om te overleven, merkt hij op, maar wel een artikel waar mensen steeds meer aan wenden.

Sindsdien is de lijst met dingen die het leven veraangenamen maar niet voorzien in de primaire levensbehoeften reusachtig uitgebreid. De tabak van weleer heeft gezelschap gekregen van jacuzzi’s voor in de tuin en elektrische fietsen, maar ook flatscreen-tv’s en laptops.

Welk welvaartsniveau moet de overheid garanderen? Moet ze een ondergrens aan welvaart bewaken? Of ziet ze het als haar taak om de maatschappelijke verschillen te dempen of zelfs te verkleinen?

De Groningse witgoedregeling is slechts één indicator dat scenario twee de overhand heeft. Een andere aanwijzing is de stijging van de uitkeringen. Per 1 januari 2015 werden de AOW, Anw, WW, WIA, WAO, ZW, TW, Wajong, Participatiewet (voorheen WWB), IOAW en IOAZ verhoogd. De reden: deze uitkeringen zijn gekoppeld aan het wettelijk minimumloon, en dat is gestegen.

Het oogt als een typische Haagse kwestie. Er gaat echter een ideologische keuze achter schuil. Je kunt de uitkeringen immers ook koppelen aan de inflatie. Dan hebben al die regelingen als oogmerk de geldontwaarding te compenseren. Zo kan de uitkeringsgerechtigde in zijn basisbehoeften blijven voorzien.

Netto is het verschil maar een paar euro als je de uitkeringen laat meestijgen met de lonen. Het belangrijkste verschil betreft het signaal dat ervan uitgaat. De achterliggende aanname is dat iedereen ervan mag profiteren als werknemers meer te besteden krijgen. Zo worden de verschillen niet al te groot.

Er gaan goede bedoelingen achter schuil, maar pas op met het almaar opschroeven van je ambitieniveau. Deze waarschuwing aan het adres van de overheid komt van John Micklethwait and Adrian Wooldridge. Afgelopen zomer publiceerden deze economen met belangstelling voor politiek-filosofische vraagstukken ‘De vierde revolutie’ (2014). Zij wandelen door het heden zoals Tocqueville dat in zijn tijd deed en zien een verzorgingsstaat die topzwaar dreigt te worden.

‘De progressieve agenda staat zichzelf in de weg’, schrijven Micklethwait en Wooldridge. Onbedoeld is hun analyse een commentaar op de minima in Groningen. Het tweetal schetst een beeld van een overheid en electoraat die elkaar in een wurggreep houden. De ene partij belooft steeds meer, de andere partij rekent op steeds meer. Een onhoudbare situatie.

Gelijke kansen mogelijk maken, is allang niet meer het doel. Het draait om het creëren van uitkomsten die zoveel mogelijk gelijk zijn, staat in ‘De vierde revolutie’. Dat klinkt veelbelovend, maar schept onbehagen, want wat als de overheid niet meer kan leveren? Dat leidt tot ontevredenheid over de afdankertjes die de minima mochten aanschaffen. Ze waren immers gewend aan flatscreens van 450 euro.

Bron: Trouw 17 maart 2015