´Ad fontes´ is het motto van Sebastien Valkenberg. Ofwel: terug naar de bron. In zijn columns, essays en spreekbeurten grijpt hij terug op het denkwerk van grote filosofen. Zij bieden het beste weerwerk tegen slordig redeneren, modieuze denkbeelden en fact free filosofie.

Kunst is vaak jargon

A_crippled_beggar_moves_with_crutches_accompanied_by_a_littl_Wellcome_V0020357

Je kunt de kritiek natuurlijk afdoen als rancune. Volgens de PVV is kunst immers een speeltje van de elite. Logisch dus dat Alexander Kops, nummer twee op de PVV-lijst voor de Provinciale Staten, onlangs van leer trok tegen twee kunstwerken in het Gelderse Provinciehuis. Zonde van het geld, vond de volksvertegenwoordiger.

Kops een cultuurbaarbaar? Welnee.

Wie de werken ziet, begrijpt wat ik bedoel. Een groot roze vel en een geel vel. 6.300 euro per stuk. Wat moet de toeschouwer hiermee? Op de site van kunstenaar Lieven Hendriks valt te lezen dat hij een spanningsveld oproept tussen werkelijkheid en illusie. ,,Met sobere middelen weet Lieven een maximaal effect te bereiken. Zijn doeken lijken doorboord te zijn door kogelgaten, slordig te zijn opgespannen, of beslagen als een spiegel of raam. De schilderijen zijn uiteindelijk net zo realistisch als de kijker zelf wil.”

Sober, inderdaad. Hoe sober, liet Geenstijl zien: twee IKEA-wissellijsten à 4,99 euro en een pak papier van 2,93 euro. Voor nog geen dertien euro ben je klaar. Het ‘maximale effect’ is problematischer. Hoe leidt dat tot ‘een spanningsveld’? De ronkende zinnen buitelen over elkaar heen. Hoe vaag ook, het lijkt erop dat zij moeten doen wat de kunstwerken zelf niet kunnen.

Eeuwenlang mocht kunst bestaan zonder kijkinstructies. Ongetwijfeld leren kunsthistorische studies je van alles over Het melkmeisje. Maar het schilderij kan prima op eigen benen staan.

Waar ging het mis? Tom Wolfe beschrijft in The Painted Word (1975) hoe de twintigste eeuw uitmondde in een verbod op realisme. Dadaïsme, kubisme, abstract-expressionisme, minimalisme. Kunst mocht vooral niets afbeelden. Afgaand op het Gelderse Provinciehuis is die code nog steeds van kracht. Logischerwijs werd de kunsttheorie steeds belangrijker. Als een schilderij zelf niets meer zegt, moet de uitleg elders vandaan komen. De exegese was geen extraatje meer, maar werd een onmisbaar onderdeel. Vergelijk het met een kreupele. Hij heeft krukken nodig.

Jammer genoeg willen de hulpstukken maar niet behulpzaam worden. Het jargon blijkt al snel een cerebraal karakter te krijgen. Neem Talia Concept, wier act eruit bestaat dat ze naakt tegen een stenen pilaar van een Romeins aquaduct aanholt. ,,Ik leef op buitenzintuiglijke vibraties”, licht ze toe. ,,De poëzie van vibraties is niet uit te drukken in ordinaire woorden.” Een scène uit La grande bellezza (2013). Inderdaad, een film, maar daardoor nog geen fictie. De act van Talia Concept verwijst naar de performancekunst van Marina Abramovic. Zij liep ooit drie maanden over de Chinese Muur. Halverwege trof ze haar toenmalige partner Frank Uwe Laysiepen, beter bekend als Ulay. Die kan er zelf trouwens ook wat van. Onlangs kwam hij naar het Stedelijk in Amsterdam. Mutsje op, rokje aan. Op roze canvas schreef hij een aantal nummers en dat was alles. Slechts zestig bezoekers mochten hierbij aanwezig zijn. Ongetwijfeld is ook hier een draai aan te geven.

Maar dat is juist het punt. Met verbale handigheid en een flinke dosis jargon kun je alles verkopen als kunst. ‘Gek doen’ promoveert tot ‘ontregelend’ als je er maar deftige poëtica aan verbindt. De grens tussen grote kunst en de nieuwe kleren van de keizer wordt wel erg dun. Weigert iemand het spel te spelen, dan is de tolerantie verbazend gering. Zo’n spelbreker is Jep Gambardella, hoofdpersoon in La grande bellezza. Als hij doorvraagt naar de bedoeling van die ene act – ,,Talia Concept noemt dingen die ik totaal niet begrijp” – wordt ze kregelig. Hij zou vooringenomen zijn, een zeurkous, een obsessieve klootzak. Uiteindelijk begint ze te huilen.

Lastige vragen kunnen ook op een andere manier gepareerd worden. In plaats van tranen kiest de kunstenaar de aanval. Zo ging vorige zomer de Duitse experimentele kunstenaar VA Wölfl te werk in Nederland. Aanleiding: zijn Kurze Stücke hadden zojuist het festival Julidans geopend. ‘Glorieuze opening’, kopte de Volkskrant. Totaal onbegrijpelijk, reageerde antropoloog Inga Lingnau op de opiniepagina. ,,Aan de sfeer in de zaal was af te lezen dat meer mensen hier niets van begrepen.”

Vragen genoeg dus voor de nazit. Lingnau: ,,Als ik eindelijk aan VA Wölfl mag vragen: waarom laat je dit aan me zien, reageert hij verbaasd. ‘Wat een vraag!?!’ Er valt een stilte en hij zet voort met een tegenvraag: ‘Waarom maakt een kunstenaar kunst? En waarom bakt de bakker brood?’, gevolgd door een gebaar dat duidelijk maakt, dit is zijn antwoord.” Hierna ging het woord naar iemand anders uit het publiek.

Zeker, kunst hoeft zich niet onmiddellijk prijs te geven. Maar je kunt het ook overdrijven. Dan wordt onbegrijpelijkheid een keurmerk van diepgang en brille. Eventueel onbegrip is te wijten aan kortzichtigheid bij de toeschouwers, die gewoon nog niet genoeg hun best doen. Het is natuurlijk wel lekker makkelijk het daarop te gooien. Of om kunstkritiek af te serveren omdat deze van een PVV’er komt.

Bron: NRC Handelsblad 21 februari 2015