´Ad fontes´ is het motto van Sebastien Valkenberg. Ofwel: terug naar de bron. In zijn columns, essays en spreekbeurten grijpt hij terug op het denkwerk van grote filosofen. Zij bieden het beste weerwerk tegen slordig redeneren, modieuze denkbeelden en fact free filosofie.

Ongekend radicaal en dus verboden

Flashlight

De publicatie van ‘Een licht dat schijnt in duistere plaatsen’ mag gerust een mijlpaal heten. In 1668 lieten de Amsterdamse autoriteiten vrijwel de hele oplage van dit boek vernietigen omdat de auteur, de filosoof Adriaan Koerbagh, zich godslasterlijk zou hebben uitgelaten. Slechts enkele exemplaren zouden aan dit lot ontkomen, maar die zijn goed opgeborgen in het boekenmuseum Meermanno in Den Haag. Eindelijk ligt het nu in een moderne hertaling in de boekhandel, zodat het grote publiek er kennis van kan nemen.

Het lot van Koerbagh roept allerlei vragen op. Hoe verhoudt het zich tot het gangbare beeld van Nederland als baken van tolerantie? En waarom raakten de machthebbers zo in paniek van ‘Een licht’? Eigenlijk zou het 21ste eeuwse publiek een leeswijzer moeten hebben bij dit 17de eeuwse boek. Als iemand in staat is die gidsfunctie te vervullen, is het Bart Leeuwenburgh. Hij is verbonden aan de filosofiefaculteit van de Erasmus Universiteit Rotterdam, maar bovenal biograaf van Koerbagh.

Laten we beginnen met de auteur. Niet veel mensen zullen Adriaan Koerbagh kennen. Wie was hij?

“Een 17de eeuwse denker die behoorde tot de groep rond Spinoza. Doordat hij in het Nederlands schreef, in plaats van de geleerdentaal Latijn, kon iedereen zijn werk lezen en dat was precies de bedoeling. Kennis was niet voor de elite, maar voor iedereen. Koerbagh was een echte democraat. Machthebbers, vond hij, moesten in begrijpelijke taak kunnen uitleggen waarom ze iets deden. Hun gezag was niet vanzelfsprekend en vooral theologen en kerkleiders voelden zich door die kritiek bedreigd. Ze drongen bij het Amsterdamse gemeentebestuur aan op de arrestatie van deze ketter. Dat gebeurde in 1668. Zijn straf: tien jaar gevangenschap, daarna verbanning uit Amsterdam en een boete van 6000 gulden. Na minder dan een jaar in de gevangenis zou hij overlijden.”

Op het omslag prijkt de titel ‘Een licht dat schijnt in duistere plaatsen’. Welk licht bedoelde Koerbagh en welke duistere plaatsen?

“Het licht staat voor onze redelijke vermogens, waarmee we bijvoorbeeld inzien dat één plus één twee is. Maar ook stond het licht symbool voor de wetenschap, waarin Koerbagh een groot vertrouwen had. De maatschappij zou er geweldig van kunnen profiteren. Je moet je voorstellen dat Koerbagh het staartje van de Tachtigjarige Oorlog nog had meegemaakt en die was het gevolg van religieuze twisten. Katholieken vochten tegen protestanten, sektarische groeperingen gingen elkaar in woord en geschrift te lijf. De verwachting van Koerbagh was dat de rede, door haar licht te laten schijnen, deze conflicten kon beslechten. En op die duistere plaatsen uit de titel is dat licht nog niet doorgedrongen. Daar bleef men vasthouden aan onzinnige dogma’s, met name die van de gereformeerde kerk.”

We slaan het boek open. Het begint met een voorwoord dat de auteur ondertekent met een pseudoniem. Waarom?

“Eerlijk gezegd begrijp ik dat niet goed. Iedereen wist toch al wie de auteur was. Hij had het pseudoniem namelijk eerder al gebruikt voor ‘Een Bloemhof van allerley lieflykheyd sonder verdriet geplant’ (1668), dat vlak daarvoor was verschenen en al de aandacht had getrokken van de Amsterdamse bestuurders. Maar het gekke is dat er van ‘Bloemhof’ tegelijk een editie verscheen met precies dezelfde tekst, maar dan onder zijn eigen naam. Dus van een schuilnaam kan eigenlijk geen sprake zijn.”

Waarom heeft hij gekozen voor juist het pseudoniem Vreederijk Waarmond?

“Zo maakt Koerbagh duidelijk wat zijn ambitie is. ‘Waarmond’ duidt erop dat hij de waarheid wil spreken; ‘Vreederijk’ verwijst ernaar dat hij geen kwade bedoelingen koestert, maar het rijk van de vrede nastreeft. Meerdere auteurs gebruikten dit pseudoniem in de 17de eeuw. Net zoals ze fictieve plaatsen bedachten als ze niet wilden dat bekend werd waar hun werk geschreven was, bijvoorbeeld omdat het een schotschrift betrof. Dan stond er bijvoorbeeld ‘Eleutheropolis’ (vrije stad) op de titelpagina, in plaats van Amsterdam.”

Vanaf de eerste bladzijde valt op hoe toegankelijk Koerbagh schrijft.

“Klopt, nog steeds doet ‘Een licht’ heel fris aan. Maar dat was ook zijn bedoeling. Zo bracht hij in de praktijk wat hij bepleitte. De plicht om de waarheid te spreken vond hij niet genoeg. Je hebt ook de plicht om dat in heldere taal te doen. Dit taalpurisme kwam voort uit een sterke morele gedrevenheid. Iedereen mocht meedoen aan het publieke debat. Maar dan moet je niemand buitensluiten door onbegrijpelijke taal en jargon te bezigen, zoals veel theologen deden. De ideeën van Spinoza waren ook radicaal, maar die schreef tenminste nog in het Latijn. Koerbagh noemde de Bijbel niet alleen een doodgewoon boek – ‘al wast van reyntje de vos of uylen-spiegel’ -, maar deed dit ook nog eens in het Nederlands. Dat maakte zijn werk zo bedreigend voor de gevestigde orde.”

‘Een licht’ eindigt tamelijk abrupt met de opmerking ‘De auteur hoopt een tweede deel te publiceren’.

“Het maakt inderdaad een wat onaffe indruk. Dat komt onder anderen doordat Koerbagh het in een koortsachtig tempo heeft geschreven en vanuit een grote verontwaardiging. Hij vond het belangrijk om zijn boek snel te publiceren, dat vervolgdeel kwam later wel. Maar hij kon niet voorspellen dat hij voordien al zou worden opgepakt. Overigens wil de ironie dat de autoriteiten het omgekeerde bewerkstelligden van wat ze beoogden. Ze wilden zijn werk in de doofpot stoppen. Voor het proces hadden ze ‘Een licht’ nodig als bewijsstuk. Onbedoeld droegen ze bij aan de instandhouding van Koerbaghs gedachtengoed, want uitgerekend twee van deze exemplaren zijn ook bewaard gebleven.”

Stel dat hij nu zou leven. Welke plek zou hij innemen in het publieke debat?

“Dat is een hele moeilijke vraag, omdat je Koerbagh dan losweekt uit zijn eigen tijd. Hij laat zich niet zomaar overhevelen naar de hedendaagse samenleving. Je moet oppassen voor het Catweazle-efftect. (Catweazle was een kinderserie over een tovenaar uit de elfde eeuw die in de jaren zestig belandt, red.). Wel kunnen we stellen dat Koerbagh zowel een academicus als een polemist was, die zijn opponenten pestte. Ik heb hem daarom wel eens een geleerde Theo van Gogh genoemd.”

Heeft u verder nog een tip aan de lezers van ‘Een licht’?

“Probeer te beseffen hoe radicaal het boek destijds was. Het probleem van Verlichtingsdenkers is dat hun werk nu normaal wordt gevonden. Zaken als de gelijke berechting van man en vrouw en de vrijheid van meningsuiting vinden veel mensen vanzelfsprekend. Maar dit is wel te danken aan de strijd die Verlichtingsdenkers hebben geleverd. Probeer je maar eens voor te stellen hoe het is als homo in Iran of Oeganda. Dan krijg je enigszins een idee van het gevecht dat Koerbagh heeft moeten leveren. Hij stak zijn nek uit en daar mogen we hem best dankbaar voor zijn.”

Bron: Trouw 15 mei 2014