´Ad fontes´ is het motto van Sebastien Valkenberg. Ofwel: terug naar de bron. In zijn columns, essays en spreekbeurten grijpt hij terug op het denkwerk van grote filosofen. Zij bieden het beste weerwerk tegen slordig redeneren, modieuze denkbeelden en fact free filosofie.

Een verraderlijk boek

Michel_Foucault

Aan de muur van ‘s werelds populairste filosoof hangt een portret van de grootste massamoordenaar aller tijden. Voor wie het met eigen ogen wil zien: ga naar YouTube en tik respectievelijk ‘Slavoj Zizek’ en ‘Jozef Stalin’ in. Wat is dat toch met die postmoderne filosofen? Want Zizek (bijnaam: ‘de Elvis van de culturele theorie’) is niet de enige die last heeft van een op hol geslagen politiek kompas.

Toch hoeft de muurversiering van Zizek ons niet te verbazen. Veel hedendaagse filosofen putten namelijk uit dezelfde bron: het werk van Michel Foucault. Vorige maand is het eerste grote boek van de hogepriester van het postmodernisme, ‘De geschiedenis van de waanzin’ (1961), opnieuw uitgegeven. Dat helpt om zijn invloedrijke maar verraderlijke gedachtengoed te doorgronden.

De titel suggereert een overzicht van de psychiatrie door de eeuwen heen. Dat is het boek in zekere zin ook, zij het een nogal eigenzinnig overzicht. Het leest als een aanklacht tegen de rede, die in de achttiende eeuw aan een opmars begon. Ondertussen nam volgens Foucault de tolerantie af jegens gedrag dat afwijkt van de norm. Neem de psychiatrische inrichting. Dat is geen plek waar geesteszieken de zorg krijgen die ze nodig hebben. Nee, hier worden ze opgeborgen en monddood gemaakt. Wat oogt als hulpverlening zou eigenlijk een vorm van geweldpleging zijn.

Met ‘De geschiedenis van de waanzin’ had Foucault zijn filosofische methode gevonden. In de boeken die zouden volgen, speurde hij andere maatschappelijke terreinen af op geweld, vooral waar het zich aan de waarneming onttrekt. Dat hij dit aantreft in het gevangeniswezen ligt voor de hand, maar ook het interpreteren van een tekst is volgens Foucault een brute activiteit. ‘Het is niet zo dat een interpretatie te interpreteren materiaal dat zich passief aandient, verheldert; het enige wat zij kan doen is op gewelddadige wijze een al bestaande interpretatie overmeesteren door die om te draaien, omver te werpen, met hamerslagen te verpletteren.’

Inflatie van geweld

De gevolgen van deze zienswijze zijn verstrekkend. Elke tekstinterpretatie verandert in een dramatische vechtpartij, aldus Luuk van Middelaar in zijn geschiedenis van de Franse filosofie van de twintigste eeuw, ‘Politicide’ (1999). Een levendig publiek debat is niets minder dan een ‘burgeroorlog in de dop’.

Drie decennia na Foucault zei de feministische filosofe Judith Butler het hem bijna letterlijk na. Maar Foucault is dan ook één van de voornaamste inspiratiebronnen voor haar ‘performatieve taaltheorie’, die ze recent nog uiteenzette in ‘Opgefokte taal’ (2007). Daarin benadrukt ze dat zowel verbale als fysieke aanvallen pijn kunnen doen. Door dit te beklemtonen vertroebelt het onderscheid tussen een harde polemiek en fysieke geweldpleging.

Het listige van deze benadering is dat ze juist het omgekeerde bewerkstelligt van wat ze beoogt. Wie overal geweld ontwaart – in inrichtingen, in gevangenissen, in het publieke debat – verliest op een zeker moment zijn geloofwaardigheid. Je kunt niet permanent de noodklok luiden zonder dat het geweldsbegrip aan inflatie onderhevig raakt. Hierop wijst Hans Achterhuis in ‘De erfenis van de utopie’ (1998) als hij zegt: ‘In de huidige maatschappelijke nacht van structureel geweld worden dan alle katten even grauw.’

In hoeverre is het onder deze omstandigheden nog mogelijk om een afgewogen oordeel te vellen? Vrede devalueert onmiddellijk tot schijnvrede, want onder de oppervlakte gist en broeit het. Het geweld onttrekt zich alleen aan het zicht.

In zijn ijver om de veronderstelde beschaving te ontmaskeren, rekende Foucault dan ook genadeloos af met het Westen. De liberale democratie en het kapitalisme brachten volgens hem helemaal niet de vrijheid die ze beloofden. In een vraaggesprek met schrijver Baqir Parham sprak hij over ‘de weerzinwekkendste, meest barbaarse, meest egoïstische, oneerlijkste en meest onderdrukkende samenleving die men maar kan bedenken.’

Even hardvochtig was de afrekening met de Verenigde Staten een paar jaar geleden door Giorgio Agamben, die Foucault expliciet als één van zijn leermeesters noemt. In een open brief in de Franse krant Le Monde veroordeelde de populaire Italiaanse filosoof de verscherpte luchthavencontroles die de Verenigde Staten doorvoerden na de aanslagen op het World Trade Center. Er zou volgens Agamben een bloedrode lijn lopen van de getatoeëerde nummers voor Auschwitz-gevangenen naar de vingerafdrukken en irisscans die vliegreizigers voortaan moeten laten maken.

Flirt met Teheran

Dat Auschwitz gericht was op de vernietiging van een compleet volk, terwijl de Amerikaanse maatregelen juist burgerslachtoffers door terreur moeten voorkomen, verdwijnt uit beeld. Ook dringt zich de conclusie op dat douanebeambten op luchthavens de hedendaagse uitvoering zijn van de kampbeulen die destijds de ‘Endlösung’ mogelijk maakten.

Als overal geweld is, verliest elke maatschappelijke ordening haar onschuld. Want wie (een relatieve) vrede meent te zien, heeft gewoon nog niet goed genoeg gekeken. Omgekeerd verdampen fundamentele bezwaren tegen overduidelijke geweldsuitbarstingen. Ze maken enkel zichtbaar wat in andere gevallen onzichtbaar blijft en is het dan niet inconsequent of zelfs hypocriet om er ineens geïntimideerd door te raken?

Dat verwijt kan Foucault in elk geval niet gemaakt worden. In plaats van zich door openlijke geweldpleging te laten intimideren, voelde hij zich er toe aangetrokken. Dat bleek in 1978 toen hij in Le Nouvel Observateur de Islamitische Revolutie in Iran verwelkomde. Eerder al had hij Ayatollah Khomeini de handen geschud in Parijs. Foucaults geestdrift is zo moeilijk te bevatten vanwege zijn homoseksualiteit. In de kersverse Iraanse theocratie gold dit als een vergrijp dat met zweepslagen werd bestraft en in het ergste geval met de doodstraf.

Al vrij snel volgde de kater en kwam Foucault terug op zijn steunbetuiging aan het Iraanse regime. Slavoj Žižek daarentegen had een paar jaar geleden nog steeds alle begrip voor diens flirt met Teheran. Tijdens een spreekbeurt in Londen vond hij dat Foucault destijds ‘een juiste keuze’ had gemaakt.

Stalinportret

De route die Foucault insloeg met ‘De geschiedenis van de waanzin’ mondt niet automatisch uit in de omarming van dubieuze regimes. Maar het verraderlijke van zijn theorie is dat zij je er ook niet tegen beschermt. Wie meent dat geweld alomtegenwoordig is, raakt gemakkelijk afgestompt. Een slachtoffer meer of minder is niets om door van slag te raken.

Aan die kwaal lijdt ook Zizek. Subjectief geweld, symbolisch geweld, systemisch geweld – het geweld nadert ons volgens hem vanuit alle hoeken. Hij reageert dan ook nogal laconiek als een interviewer van het Duitse weekblad Der Spiegel begint over het portret van Stalin in zijn flat. Dat, zegt hij, wil hij best verwijderen als bezoekers er aanstoot aannemen. “Het betekent niets. Het is gewoon een grapje.” Ziehier hoe geweld kan devalueren. Aan de muur van Zizek hangt de evenknie van Adolf Hitler en hij haalt er zijn schouders over op.

Bron: Trouw 29 juli 2013

Geef een reactie