´Ad fontes´ is het motto van Sebastien Valkenberg. Ofwel: terug naar de bron. In zijn columns, essays en spreekbeurten grijpt hij terug op het denkwerk van grote filosofen. Zij bieden het beste weerwerk tegen slordig redeneren, modieuze denkbeelden en fact free filosofie.

De natuur als het nieuwe proletariaat

Shell_-_Esso_Brent_Spar_under_construction_(1975)

Hoever de kracht van de natuur reikt, bleek afgelopen weken uit de consternatie rond een schaapskudde. Natuurmonumenten kreeg de volle laag nadat ze schaapherder Chris Grinwis had laten weten dat niet zijn kudde, maar die van een ander de Veluwe mocht begrazen. Faillissement bedreigde de kudde en het woord slacht viel. Zodra dit bekend werd, laaide de verontwaardiging hoog op. Overal in de media zag je schaapskuddes. Tientallen leden van Natuurmonumenten zegden op.

Inmiddels lijkt de schaapskudde een nieuwe bestemming te hebben, maar het is wachten op het volgende incident. De natuur is een machtsfactor van betekenis die het publieke debat naar haar hand kan zetten. Ze is in staat het bestuurders knap lastig te maken en zelfs op de knieën te dwingen. Des te ironischer dat zij in de beeldvorming altijd het eeuwige slachtoffer is dat het onderspit delft. Als grote boeman treedt dan het doorgeschoten kapitalisme op. Het zou in dit geval te duur zijn om schapen te laten lopen van veld naar veld. Een herder met een trailer zou het wel redden.

Schaapherder Grinwis zei in het tv-programma ‘Hart van Nederland’ dat ‘Kille bezuinigingen en marktwerking’ hem het bestaan onmogelijk maakten. Onder de reportage had SBS6 stemmige pianomuziek gezet.

Met deze tegenstelling – het simpele herdersleven versus het oprukkende marktdenken – plaatst Grinwis zichzelf in een lange geschiedenis van natuurverheerlijking. De Amerikaanse filosoof Stephen Hicks, als hoogleraar verbonden aan Rockford College, laat in zijn boek ‘Explaining Postmodernism’ (2004) zien hoe krachtig deze traditie doorwerkt in onze samenleving.

Wie natuuraanbidding zegt, zegt Jean-Jacques Rousseau. Als geen ander heeft de Franse filosoof de natuur in de achttiende eeuw op een voetstuk geplaatst. Ze zou er nadien niet meer vanaf stappen. Weinig verrassend dus dat Hicks hem aanwijst als dé inspiratiebron van het groene denken. In ‘Émile, ou De l’éducation’ (1762) laat Rousseau in de openingszin al weten hoe idyllisch het ooit was: ‘Alles is goed wat voortkomt uit de handen van de Schepper. Alles raakt verdorven in de handen van de mens.’

Door en door romantisch is de hunkering naar het verloren paradijs die het complete oeuvre van Rousseau kleurt. De geëxalteerde landschapsbeschrijvingen buitelen bij hem over elkaar heen, evenals de lofzangen op het sobere landleven, ver weg van de hectische samenleving met haar verplichtingen en verleidingen. ‘Terug naar de natuur’ had op hem dezelfde aantrekkingskracht als het nog steeds heeft op kampeerders die de luxe van thuis inwisselen voor de eenvoud van hun tentje.

Een zekere ‘nostalgie de la boue’ – nostalgie naar de modder – bepaalde ook veel berichtgeving rond Grinwis. Zo kwam Geschiedenis24, het historische portaal van de publieke omroep, met een reportage over ‘De laatste echte schaapsherder’. Centraal stond ‘de teloorgang van dit levende erfgoed’.

Toch laat de ophef rond schaapsherder Grinwis zich niet terugbrengen tot een oprisping van romantische sentimenten, of tenminste niet alleen. De heiligverklaring van de natuur vond weliswaar plaats in de late achttiende eeuw. Maar Hicks laat in zijn boek zien dat zij pas in de tweede helft van de twintigste eeuw haar huidige imago heeft gekregen van de zielige underdog. Zij heeft gaandeweg de plaats ingenomen van de onderdrukte klasse in de filosofie van Karl Marx.

Aanvankelijk richtten socialisten zich op lotsverbetering van het proletariaat. Die verbetering vond inderdaad plaats en niet zo’n beetje ook, aldus Hicks, maar juist dankzij de grote aartsvijand, het kapitalisme. Zo begon in China de economie pas te groeien nadat het land de erfenis van partijleider Mao van zich afwierp en de vrije markt accepteerde, hoe mondjesmaat ook. Een paar jaar geleden illustreerde het Britse blad The Economist hoe in de laatste 25 jaar de armoede is afgenomen, van aanvankelijk 600 miljoen Chinezen die moesten rondkomen van een dollar per dag naar minder dan 180 miljoen.

Maar eigenlijk had de Sovjet-Unie, waar gedurende de twintigste eeuw vrijwel permanente schaarste heerste, al een wake-up call moeten zijn. Toch zetten socialisten nauwelijks vraagtekens bij de theorie van Marx, laat staan dat ze die verwierpen. Hicks wijst erop dat ze in plaats daarvan het belang van economische verheffing begonnen te relativeren.

Er vond een omkering aller waarden plaats. Bij nader inzien was welvaart toch niet zo belangrijk of zelfs regelrecht verwerpelijk, omdat het tot stand kwam via een ratrace naar almaar meer. Of, zoals Hicks het zegt in zijn boek: hightech heette ineens slecht en lowtech werd de nieuwe norm. Zeg maar het leven dat schaapsherder Grinwis nastreeft en waarvoor steeds minder ruimte zou bestaan.

Van rood naar groen, zo vat Hicks deze ontwikkeling samen. Waar socialisten oorspronkelijk de econoom Marx citeerden, doen hun opvolgers dat met natuurdenker Rousseau. Ze zetten de aloude strijd tegen het kapitalisme voort – met andere middelen, maar met dezelfde strijdlust.

Tegen dit fanatisme waarschuwde de Franse filosoof Pascal Bruckner pas geleden in het pamflet ‘Le fanatisme de l’Apocalypse’ (2011). We lezen onszelf de les met zoveel verbetenheid dat de grens met masochisme flinterdun wordt. Bruckner ziet het overal om zich heen: in de ‘afkeer van vooruitgang en van de wetenschap, angstcultuur, lofzang op de karigheid: gedreven door de politieke commissarissen van de koolstof.’

In feite hekelt Bruckner hier de geest van Rousseau, hoewel hij niet expliciet naar zijn landgenoot uit de romantiek verwijst. Hij keert zich tegen de angstbeelden en karikatuurvorming die het debat domineren. Die zorgen voor een schrille toon die in het ergste geval contraproductief werkt. Daarom pleit Bruckner in zijn pamflet voor een grotere ontvankelijkheid voor argumenten.

Die nuchterheid is de beste remedie tegen de vorming van een tunnelvisie. Verschillende voorbeelden illustreren hoe het mis kan gaan, zoals destijds de Brent Sparaffaire. Hoe zat het ook alweer? In 1995 wilde Shell een verouderd olieplatform in de Noordzee laten afzinken. Prompt kwam Greenpeace in actie en wist het publiek te bewegen tot een boycot van Shell-tankstations. Onder druk van de publieke opinie haalde de oliemaatschappij bakzeil en bracht haar platform naar de wal om het daar te laten ontmantelen.

Hier figureerde Rousseau postuum als de grote pr-strateeg van Greenpeace. Shell was de geldbeluste multinational en dit maakte zijn argumentatie per definitie ongeloofwaardig. Heel spijtig, want onderzoek wees juist uit dat afzinken van de Brent Spar, hoe moeilijk voorstelbaar ook, het meest milieuvriendelijk was. De triomf van de natuurbeschermers bleek de nederlaag voor de natuur.

De geschiedenis herhaalt zich. Ook het relaas over schaapsherder Grinwis voegt zich naar de rousseau-iaanse logica. In de media kreeg Natuurmonumenten al snel als de rol van kille rekenmeester die kiest voor de goedkoopste oplossing. Terwijl ze wel degelijk ook naar het belang van de natuur had gekeken en op dit punt scoorde Grinwis minder dan zijn concurrent. ‘De techniek van Grinwis is continue begrazing,’ zegt een aldus een woordvoerster van Natuurmonumenten. ‘In dit specifieke gebied is dat niet gunstig, omdat gras op de ene plek harder groeit dan op de andere.’

Schaapsherder Grinwis heeft een schadelijke uitwerking op de natuur. Maar deze kanttekening kwam je dan weer nergens tegen in de berichtgeving, uitgezonderd die van RTL Nieuws.

Bron: Trouw 20 april 2013

 

Geef een reactie