´Ad fontes´ is het motto van Sebastien Valkenberg. Ofwel: terug naar de bron. In zijn columns, essays en spreekbeurten grijpt hij terug op het denkwerk van grote filosofen. Zij bieden het beste weerwerk tegen slordig redeneren, modieuze denkbeelden en fact free filosofie.

Martelaar van het vrije woord

Melchior_Fokkens_Rasphuys

In de 17e eeuwse Republiek der Nederlanden kon iedereen zeggen wat hij wilde. Zo is het gangbare beeld en ja, er heerste grotere tolerantie dan elders. Maar pas op voor idealisering. Ook wij hebben dissidenten het woord ontnomen en er zelfs één de dood in gejaagd. Zijn naam is Adriaan Koerbagh en over deze filosoof is nu een biografie verschenen.

In Het noodlot van een ketter heeft Bart van Leeuwenburgh, verbonden aan de Erasmus Universiteit in Rotterdam, het leven van Koerbagh opgetekend. Althans, daarnaar heeft hij gestreefd, want er resten maar weinig bronnen om zich op te baseren.

De kerkenraadprotocollen, een album amicorum van broer Johannes Koerbagh en natuurlijk de werken van Adriaan zelf. Daarmee heeft Van Leeuwenburgh de klus grotendeels moeten klaren. En dat is hem nog gelukt ook. In ruim 200 honderd bladzijden weet hij onze meest radicale Verlichtingsfilosoof tot leven te wekken.

Want dat was hij. Doorgaans gaat Baruch de Spinoza ervandoor met deze titel. Het is waar dat spinozisme halverwege de 17e eeuw gelijk stond aan weerzinwekkende goddeloosheid. Maar toch ging Koerbagh, die Spinoza tot zijn vriendkring mocht rekenen, nog een forse stap verder.

Spinoza schreef in het Latijn volgens de intellectuele mores van weleer dat filosofische ideeën niet geschikt zouden zijn voor de gewone man. Koerbagh daarentegen was een volksverheffer, laat deze biografie overtuigend zien. Hij schreef gewoon in het Nederlands, zodat zoveel mogelijk mensen kennis konden nemen van zijn werk.

Dat ‘werk’ droeg aanvankelijk een vermomming. Een bloemhof van allerley lieflijkheyd sonder verdriet (1668), Koerbaghs eerste grote boek, is opgezet als een woordenboek met verklaringen van de vele leenwoorden in het Nederlands. Want waarom zou je iets in een andere taal zeggen als het ook in de eigen taal kon? Toch is Een bloemhof niet zomaar een woordenboek, maar vooral ook een vehikel voor zijn eigen filosofie.

Dat blijkt wel uit het lemma over de dominee: ‘een heer, soo word ook genoemt een geestelijke en leeraar der gemeente. De geestelijken en leeraars willen mede wel een groote naam hebben. Dog waarom sy soo wel niet als andere boere jongens: staat het wat te breet in ’t duyts, men neemt een latijns woord, dat en verstaat de gemeene man niet.’

Nauwelijks kan Koerbagh zijn minachting verhullen over de dikdoenerij onder theologen en kerkleiders en dat wilde hij dat ook helemaal niet. Maar nog veel erger is dat ze blind waren voor de vele ongerijmdheden in de Bijbel. Neem de auteur van het verhaal over de Ark van Noach. ‘Een kunstig rekenaar is ’t niet geweest om de maat weer uyt te vinden: want anders soude het my wat vreemd dunken, hoe in soo kleynen kist, welkers langte maar was dry hondert ellen, de breette vijftig, de hoogte derig ellen, soo grooten menigte van dieren, en soo veel voeder voor meer als een jaar, heeft konnen zijn.’

Met dit soort redeneringen wist Maarten ’t hart in De Schrift betwist (1997) een paar jaar terug velen nog op de kast te krijgen. Kun je nagaan hoe groot de onrust was toen Een Bloemhof zo’n 350 jaar geleden verscheen.

Als je de Bijbel via de rede benaderde, bleef er weinig van over behalve een verzameling verhalen. Er was niets dat de exclusieve status van het Woord Gods rechtvaardigde. In plaats daarvan was het volgens Koerbagh een gewoon boek, ‘al wast van reyntje de vos of uylen-spiegel.’ Met een daverende klap viel in Een bloemhof de Bijbel van zijn voetstuk.

Vrij snel na Een bloemhof verscheen Een Ligt schynende in duystere plaatsen (1668). Inhoudelijk is er weinig verschil tussen beide titels. Alleen schreef Koerbagh zijn ideeën in Een Ligt nog eens systematisch op – dus zonder ze te vermommen als lemma’s in een woordenboek. Die onomwondenheid is hem fataal geworden, want nu grepen de gezagsdragers in en lieten Koerbagh oppakken.

Zo ging het dus toen al. De vrijheid van meningsuiting is een groot goed zolang die mening niet al te expliciet is. Want dan ‘misbruik’ je dit recht, zoals dat tegenwoordig heet, en voelen mensen zich op de tenen getrapt. En dat, om het op zijn balkenendiaans te zeggen, ‘moeten we niet willen met zijn allen.’

Een typisch staaltje van spierballenvertoon, concludeert Van Leeuwenburgh over de arrestatie van Koerbagh. Even wilden de machthebbers laten zien wie er de baas was in de Republiek. Aanvankelijk eiste de schout, zeg maar de officier van justitie, een straf die niet zou misstaan in Afghanistan onder Talibanbewind.

Hij pleitte voor doorboring van Koerbaghs tong, het afhakken van zijn rechter duim, verbranding van zijn boeken in het openbaar en 30 jaar opsluiting voor de auteur van Een bloemhof in het Amsterdamse Rasphuis. Zover zou het niet komen. De lijfstraffen bleven achterwege en Koerbagh kreeg ‘slechts’ tien jaar gevangenisstraf. Toch zou hij nooit meer vrij komen. Na een paar maanden gevangenschap stierf hij op 36-jarige leeftijd.

Italië heeft Giordano Bruno, die wegens zijn ideeën op de brandstapel belandde, maar wij hebben Adriaan Koerbagh. De geschiedenis laat zich niet terugdraaien. Maar wel kunnen we de herinnering aan hem levend houden. Daarom is het mooi dat Het noodlot van een ketter er nu is. Na ruim 350 jaar heeft Koerbagh eindelijk de biografie die hij verdient.

Bron: De Dagelijkse Standaard 16 april 2013

Geef een reactie