´Ad fontes´ is het motto van Sebastien Valkenberg. Ofwel: terug naar de bron. In zijn columns, essays en spreekbeurten grijpt hij terug op het denkwerk van grote filosofen. Zij bieden het beste weerwerk tegen slordig redeneren, modieuze denkbeelden en fact free filosofie.

Solidariteit is iets anders dan een zo vol mogelijk basispakket

Modern_Rollator

Wat volgt er na de rollator? Sinds januari zit hij niet meer in het basispakket van de zorgverzekering en wie hierin al een afbrokkeling van de solidariteit ziet, moet verdere versobering vrezen. Want die lijkt onvermijdelijk. Onlangs nodigde minister Schippers (Volksgezondheid) iedereen uit om mee te denken over de inhoud van het pakket. Of dit iets oplevert, is twijfelachtig. Niemand zal geneigd zijn de zorg te schrappen die hij nodig heeft.

Tegelijk is de vraag in crisistijd urgenter dan ooit. Welke zorgkosten dragen we met z’n allen en welke zijn voor eigen rekening? Eén ding staat vast: op de huidige voet doorgaan gaat niet. Bij ongewijzigd beleid, becijferde de Raad voor de Volksgezondheid, slokken de zorgkosten in 2040 bijna de helft van allen overheidsuitgaven op. Scherpe keuzes zijn dus nodig, op basis van een duidelijk criterium. Dan weten we waaróm we ons ook alweer verzekeren. Als er zaken buiten het pakket vallen, is dat tenminste begrijpelijk.

Hier biedt de filosofie uitkomst. Want verzekeringen zijn niet enkel het werkterrein van assurantie- adviseurs en beleidsmakers. Al eeuwen zoeken filosofen naar manieren om mogelijk leed te verzachten, of dat nu brand betrof of ziekte. Wij profiteren van het werk dat is verzet in de zeventiende eeuw, toen Blaise Pascal de kansberekening ontwikkelde. Iets later ontwierp de Duitse filosoof Gottfried Wilhelm Leibniz de allereerste zorgverzekering. Hij vond dat iedereen er een moest kunnen afsluiten.

Hoewel een zorgverzekering resulteert in solidariteit, is dit niet het primaire oogmerk van de verzekerden. Sowieso is het een klein wonder dat we de premie betalen. In zekere zin ligt sparen veel meer voor de hand. Wie regelmatig iets opzij zet, blijft namelijk de baas over de groeiende som geld. De reserves komen van pas als zich onverwacht een tegenvaller voordoet. Maar als deze uitblijft, blijft het spaargeld intact.

Stel dat we alle verzekeringspremies op een spaarrekening zetten. Het bedrag kan aardig oplopen, blijkt uit de jaarlijkse World Insurance Index van verzekeraar Swiss Re. Deze ranglijst leert dat vorig jaar alleen Zwitsers meer kwijt waren aan premies dan Nederlanders. De jaarlijkse kosten – niet alleen voor de zorg, maar ook andere verzekeringen zoals de allrisk voor de auto – bedragen 6500 euro per hoofd van de bevolking. Een aanzienlijk bedrag waarvan slechts één ding zeker is: het komt nooit meer terug. Het is irrelevant of het leed waartegen we ons verzekerden zich voordoet of niet.

Ook al leidt verzekeren tot inkomensderving, toch zijn er gevallen waarin we dit voor lief nemen. Tegen sommige vormen van rampspoed valt simpelweg niet op te sparen. Jaarlijks doet accountantsbureau Ernst & Young onderzoek naar de kosten voor een ziekenhuisopname. In 2012 bleek een opname (overnachtingen, behandeling, personeelskosten) gemiddeld 5000 euro te kosten. Een paar nachtjes in het ziekenhuis zou de meeste mensen ruïneren.

Nog listiger is dat sommige rampspoed zich vrijwel onmogelijk laat voorspellen. Een koelkast die stukgaat, valt in de categorie van waarschijnlijke tegenvallers. Wanneer het apparaat het begeeft, weten we niet precies, maar zeker is dat het een beperkte levensduur heeft. Op een plotselinge ziekte daarentegen valt veel moeilijker te anticiperen.

Hoe gaan we om met de hardste klappen van het lot die bovendien als een donderslag bij heldere hemel komen? Juist, door ons te verzekeren. “Het principe is heel eenvoudig”, aldus de Leuvense filosoof en econoom Antoon Vandevelde in het artikel ‘Ideologie en Sociale zekerheid’ (1995). “Wie regelmatig een inkomen trekt, betaalt een premie aan een verzekeraar. Dit geeft hem het recht op een uitkering wanneer het risico waartegen men zich heeft verzekerd, effectief toeslaat. Men aanvaardt dus een geringe inkomensverlaging om over zijn hele leven meer inkomenszekerheid te verwerven.”

Vandevelde spitst zijn analyse toe op het risico van inkomensverlies, maar het gaat om het idee. Door ons te verzekeren, ontstaat er een mega-stroppenpot, waaruit de pechvogels gecompenseerd worden.

Ogenschijnlijk is van solidariteit nog lang geen sprake. Verzekeringen zijn geworteld in egoïsme. Een mogelijk toekomstbeeld jaagt zoveel schrik aan dat we alvast onze voorzorgsmaatregelen treffen. Puur uit berekening dus. “Het verzekeringsprincipe heeft echter verbazende consequentie”, benadrukt Vandevelde. “Het maakt het mogelijk dat mensen een deel van hun inkomen afstaan aan mensen zonder inkomen, zonder dat ze een beroep moeten doen op altruïstische motivaties.”

Als een duveltje uit een doosje is daar de solidariteit. Door voor onszelf te zorgen, zorgen we ook voor anderen. Vrij naar de Schotse filosoof Adam Smith: een ‘onzichtbare hand’ smeedt het welbegrepen eigenbelang om tot solidariteit. De tweede is een bijproduct van de eerste – een onbedoeld bijproduct weliswaar, maar dat doet geen afbreuk aan het eindresultaat.

Dit systeem is echter kwetsbaar. Alleen door er zorgvuldig mee om te gaan, blijft het in stand. Het liefst wil iedereen weten wat het lot voor hem in petto heeft. Kennis is macht, luidt de uitdrukking, maar voor verzekeringen geldt precies het omgekeerde. Ze kunnen alleen bestaan door een gebrek aan voorkennis.

Deze ongewisheid is nodig bij zowel de verzekerde als de verzekeraar. Neem Guus Geluk, die als geen ander vooraf al weet dat het lot hem (zo goed als) spaart. Een verzekering kost hem alleen maar geld, dus waarom zou hij er een afsluiten? Het omgekeerde geldt voor Donald Duck, die juist een abonnement op rampspoed heeft. De gegarandeerde geluksvogel betaalt geen premie, waardoor de stroppenpot leegt blijft; terwijl geen verzekeraar de pechvogel accepteert, doordat ze aan hem blijft uitkeren. Aldus verkruimelt het systeem, inclusief de solidariteit die het in leven roept.

Daarom was de reclameslogan van een verzekeraar een paar jaar geleden zo goed gekozen: ‘Soms zit het mee, soms zit het tegen.’ De slogan verwoordt treffend dat het de plotselinge rampspoed is waartegen we ons verzekeren. De laatste jaren vatte het basispakket zijn taak echter veel ruimer op. Waarom is de rollator er pas in januari uit verwijderd? Het is tamelijk voorspelbaar dat ouderdom gepaard gaat met afnemende mobiliteit. Bovendien zijn de kosten voor dit hulpmiddel behapbaar. Voor minder dan 100 euro heb je er al een.

De crisis dwingt ons kritisch te kijken naar zaken die nog in het basispakket zitten. Hoe noodzakelijk is het dat de twaalfwekenecho vergoed wordt en een huisartsbezoek? Allicht dat deze vormen van zorg het besteedbaar inkomen drukken als iemand ze voortaan zelf moet betalen. Maar dit is onvoldoende aanleiding om opname in het basispakket te rechtvaardigen. Denkers als Leibniz hebben de zorgverzekering nooit bedacht als een loket waar iedereen gecompenseerd wordt voor zijn kwalen en andere ongemakken. Wat niet wegneemt dat mensen zich altijd kunnen bijverzekeren.

Solidariteit is dus iets anders dan een zo vol mogelijk basispakket. Sterker, als de premie almaar doorstijgt, komt op een zeker moment de bereidheid om te betalen in gevaar. Weg lekt het draag- vlak voor een collectieve zorgverzekering.

Vorig jaar verbaasde minister Schippers zich over de ophef als er iets uit het verzekeringspakket werd gehaald. Zelden, merkte ze op, is er aandacht voor de dingen die worden toegevoegd. “Zo geldt voor de bestrijding van kanker dat we maandelijks vele en dure nieuwe medicijnen en behandelingen tot het pakket toelaten.” Terwijl uitgerekend in deze gevallen de behoefte aan solidariteit het grootst is.

Bron: Trouw 20 maart 2013

Geef een reactie