´Ad fontes´ is het motto van Sebastien Valkenberg. Ofwel: terug naar de bron. In zijn columns, essays en spreekbeurten grijpt hij terug op het denkwerk van grote filosofen. Zij bieden het beste weerwerk tegen slordig redeneren, modieuze denkbeelden en fact free filosofie.

Het grote publiek smult van postmoderne abracadabra

De rattenvanger van Hamelen

Hoe vaak gebeurt het dat een kersverse eredoctor wordt uitgejouwd? Onlangs was het in Frankrijk raak: met borden en gejoel maakten demonstranten duidelijk hoe ze dachten over het eredoctoraat van de Amerikaanse filosofe Judith Butler (1956) aan de universiteit Bordeaux-III ‘Michel de Montaigne’. Nooit had de universiteit haar tot doctor honoris causa mogen benoemen. Butlers feministische filosofie riep grote weerstand op, evenals de woordenmist waarmee ze die inkleedt.

‘Bad writing contest’
Het grote publiek trekt zich weinig aan van zulke kanttekeningen. Tegenover het handjevol demonstranten stonden maar liefst 700 belangstellenden die Butler op de been had weten te brengen. En jaren eerder hadden haar lezers al een heus fanmagazine voor haar opgericht. Tien jaar voordat in Nederland bladen als Linda en Maarten het levenslicht zagen, was er al de Judy!.

Kennelijk deinst niet iedereen die aan Butlers werk begint terug voor een zin die zó begint:

‘De stap van een structuralistisch verslag waarin kapitaal wordt verondersteld sociale relaties te structureren op een manier die relatief homoloog is aan een opvatting van hegemonie waarin machtsrelaties onderhevig zijn aan herhaling, convergentie en rearticulatie…’

Waarna de zin, waarmee Butler ooit een ‘Bad Writing Contest’ won, nog 59 woorden doorgaat.

Fopartikel
De rel in Bordeaux rond Butlers aanstelling klinkt als een echo van de jaren negentig. Toen klonk ook al het verwijt dat veel postmoderne filosofen zich in duister proza uitdrukken.

Om dat te bewijzen schreef Alan Sokal, een natuurkundige aan New York University, ‘Transgressing the Boundaries: Towards a Transformative Hermeneutics of Quantum Gravity’. Totale onzin, die hij inzond naar een gerenommeerd tijdschrift. De redactie had niet door dat ze een paard van Troje binnenhaalde en plaatste het fopartikel.

De Sokal-affaire was geboren. ‘Schande!’, luidde het verwijt uit het kamp van de postmodernisten. Ondertussen had Sokal wel laten zien hoe je een artikel in elkaar knutselt dat heel diepzinnig oogt, maar slechts nonsens verkondigt. Put rijkelijk uit de exacte wetenschappen, leen kernbegrippen uit deze disciplines en hussel deze elementen door elkaar.

Op deze manier, aldus Sokal, penden denkers als Jacques Lacan, Julia Kristeva, Jean Baudrillard, Gilles Deleuze, Félix Guattari en Paul Virilio glansrijke carrières bij elkaar.

Einstein en feministische filosofie
Zo wist de Belgische Luce Iragaray (1930) via de nodige woordkunsten Einstein te verbinden met haar eigen feministische filosofie. De beroemdste formule uit de geschiedenis (E=mc²) zou volgens haar een ‘geseksualiseerde vergelijking’ zijn. Probleem is volgens Iragaray namelijk dat de lichtsnelheid (c in de formule) is bevoorrecht ten opzichte van andere snelheden.

Opvallend genoeg ontbreekt Jacques Derrida (1930-2004), de hogepriester van het postmodernisme, in het overzicht van Sokal. Maar ook die wordt tot op heden aangevallen om zijn troebele teksten. In de necrologie van Derrida laakte The Economist een paar jaar geleden zijn ‘bombastische retoriek’ en ‘onlogische dwaaltochten’.

Eerder had de Amerikaanse taalfilosoof John Searle hem al beschuldigd van ‘obscurantistisch terrorisme’. Derrida’s eredoctoraat aan de Univeristeit van Cambrigde in 1992 was net zo omstreden als dat van Butler nu. Analytische filosofen ondertekenden een protestbrief en vergeleken zijn werk met dat van de dadaïsten.

Bolkenstein en Sloterdijk
Ondertussen smult het grote publiek van de postmoderne abracadabra. Dat bleek ook toen Frits Bolkestein eens in debat ging met de Duitse filosoof Peter Sloterdijk. Sloterdijk (1947), een van de meest gelezen filosofen, kreeg ervan langs, uitgerekend vanwege zijn taalgebruik. In debatcentrum Felix Meritis aan de Amsterdamse Keizersgracht ging Bolkestein vol in de aanval. ‘Pure fantasie, professor!’ luidde zijn verwijt. Wat Sloterdijk deed, was ‘goochelen met woorden.’

Inderdaad staan Sloterdijks boeken vol neologismen waarvan de spellingcontrole op tilt slaat. In zijn Sferen-trilogie gaat het bijvoorbeeld over ‘psychokosmologisch relevante gewaarwordingen’ en ‘atmosfetrisch-symbolische mensenoorden.’ Filosofie, theologie, geschiedenis, architectuur, frenologie, literatuur – het gaat allemaal in de blender.

Toegankelijk is anders en ook de omvang van Sloterdijks boeken werkt niet drempelverlagend. De eerste twee delen van zijn magnum opus beslaan al bijna duizend pagina’s, en dan is er al flink gesnoeid in het Duitse origineel. Toch worden moeiteloos duizenden exemplaren van deze baksteen verkocht.

Theoreticus van Occupy-beweging
Een vergelijkbare prestatie levert de Sloveense filosoof Slavoj Zizek (1949). Zijn teksten hadden zó uit de ‘postmodernismegenerator’ kunnen komen. Deze generator is vlak na de Sokal-affaire ontwikkeld (zie: elsewhere.org/pomo) en spuugt op commando postmodernistische artikelen uit. Ze zijn voor honderd procent uit de duim gezogen, maar ogen zeer pretentieus (voorbeeld: ‘Batailleist ‘powerful communication’, feminism and subcapitalist structuralist theory’).

Toch kost zijn ontoegankelijke schrijfstijl Zizek, die gemiddeld twee boeken per jaar schrijft, geen lezers. Het is eerd
er omgekeerd: inmiddels is ‘de Elvis van de culturele studies’ uitgegroeid tot de theoreticus van de Occupy-beweging.

Ondoordringbaar is goed
Hoe valt deze paradox – hoe duisterder de taal, des te groter het publiek – te verklaren? Op het eerste gezicht schreeuwt het postmoderne proza om een ervaren bureauredacteur. Die kan de lange zinnen opknippen in behapbare brokjes en de vaagste taalvondsten verduidelijken. Wellicht wordt dan duidelijk wat de precieze bedoeling van de auteurs is.

Maar waartoe zouden auteurs zo iemand inschakelen? Ze geven grif toe dat hun teksten ingewikkeld zijn. Dat is op zichzelf genomen nog geen diskwalificatie. Voor tal van zaken – van muziek luisteren tot wijn drinken – geldt immers dat waardering groeit na oefening. Problematisch is echter als deze relatie wordt omgekeerd, zoals veel postmoderne filosofen doen. Een ondoordringbare tekst zou dan identiek zijn aan een goede tekst.

De Franse psychoanalyticus Jacques Lacan, een van de hoofdpersonen in de Sokal-affaire, zegt het vrijwel letterlijk. “Teksten dienen niet om begrepen te worden”, legt hij uit aan de bezoekers van zijn seminars. “Daarom precies bent u niet verplicht om die van mij te begrijpen. Als u ze niet begrijpt, zoveel te beter, dat geeft u de gelegenheid om ze op te helderen.” Zo verandert elke tekst in een rebus. Lekker puzzelen.

In Bordeaux zal Judith Butler ondertussen waarschijnlijk nauwelijks onder de indruk zijn van het protest, want rumoer is een constante in haar carrière. Ellenlange zinnen, tjokvol onduidelijk jargon, zouden juist een aanbeveling moeten zijn, vindt Butler. Zwaarwichtigheid hoort in haar ogen bij de fenomenologische uitdaging van een tekst.

Met die instructie wordt in ieder geval begrijpelijk hoe haar talloze volgelingen denken: zij zien onleesbaarheid aan voor diepgang.

Bron: Trouw 29 november 2011

Geef een reactie