´Ad fontes´ is het motto van Sebastien Valkenberg. Ofwel: terug naar de bron. In zijn columns, essays en spreekbeurten grijpt hij terug op het denkwerk van grote filosofen. Zij bieden het beste weerwerk tegen slordig redeneren, modieuze denkbeelden en fact free filosofie.

So much for maakbaarheid

800px-Satellite_image_of_Noordoostpolder,_Netherlands_(5_78E_52_71N)

Vooral linkse partijen wordt vaak verweten dat ze bezwijken voor het visioen van de maakbare samenleving. Dat verwijt is terecht, maar huidige projecten als de Vogelaarwijken – kent u ze nog? – zijn kinderspel vergeleken bij de polders die in de eerste helft van de twintigste eeuw werden drooggelegd. In Het nieuwe land beschrijft journaliste Eva Vriend de genesis van Flevoland. Het leest als de ultieme droom van de social engineer die een samenleving vanaf een nulpunt mag opbouwen. Of eigenlijk gaat haar boek over de onmogelijkheid hiervan.

Vriend begint haar geschiedschrijving vanuit kikvorsperspectief. Hoe kon het dat haar opa een boerderij had gekregen in Flevoland, waar zovelen naast het net visten? Met deze vraag begint een lange zoektocht naar de criteria op basis waarvan boeren destijds werden toegelaten in het nieuwe land – dat soms trekjes kreeg van het beloofde land. De persoonlijke scènes wisselt Vriend af met scènes uit vogelperspectief. Elegant weet ze de kleine met de grote geschiedenis te verbinden. Het resultaat van deze pendelbeweging is een verhaal dat even inzichtelijk als verbijsterend is.

De Zonnekoning van de polder was Bram Lindenbergh. Als hoofd selectie bepaalde hij welke boeren een boerderij plus land kregen. Aangezien de vraag vele malen groter was dan het aanbod, kon hij streng zijn in de selectie. Maar er was nog een reden voor een strikt toelatingsbeleid. De homo zuiderzeelandicus moest gerealiseerd worden – zeg maar het neusje van de zalm in sociaal-economisch en, liefst ook, in biologisch opzicht. Ofwel: stumpers ongewenst.

Als je de samenleving dan toch met een schone lei kon beginnen…

Geen wonder dat de polders aanvankelijk gespaard werden tijdens de Tweede Wereldoorlog. Ook de Duitsers bedienden zich, eufemistisch gesteld, van selectiemethodes om een elite te kweken. Meteen waarschuwt Vriend er overigens tegen om de architecten van Flevoland als cryptonazi’s  te beschouwen. Weliswaar zag ‘polderprofessor’ Henri ter Veen een geweldige kans om het eugenetische gedachtegoed in de prakrijk te brengen. Maar anders dan de nazi’s wilde hij ‘niet de minusvarianten uitschakelen, maar de plusvarianten bij elkaar zetten om zo tot een sterker nageslacht te komen’. Ondanks de grote verschillen, vond de bezetter het maatschappelijke experiment interessant genoeg om de polders te ontzien, terwijl elders arbeidskrachten worden geronseld om aan de slag te gaan in Duitsland.

De realiteit hield zich niet aan de plannenmakerij. De polder groeide uit tot een favoriete bestemming voor onderduikers. Was N.O.P. de officiële afkorting voor Noordoostpolder, in de volksmond kreeg ze al snel een tweede betekenis: Nederlands Onderduikers Paradijs.

Ironisch? Dat zeker. Maar de ironie hoeft ons niet te verbazen. De geschiedenis van de polder laat keer op keer zien hoe weerbarstig de werkelijkheid is. Ondanks de glorieuze beloftes was er ook in het nieuwe land al snel sprake van criminaliteit en, verrek, ook hier bleken boeren ongelukkig te kunnen worden. Maar eigenlijk vat de volgende bekentenis van Lindenbergh alles samen. ‘Wat voor gewassen verbouw je, hoeveel geld wil je investeren, hoe is de economische opzet van je bedrijf’ Dat kun je aan kandidaat-boeren vragen. ‘Met de geschiktheid is dat natuurlijk anders. Maar ja, op den duur krijg je daar toch wel feeling voor. Zonder dat ik nou precies kan zeggen…’

Juist. Dus in plaats van keiharde wetenschappelijke criteria bepaalde zoiets subjectiefs als feeling of iemand zijn felbegeerde boerderij in de polder kreeg. So much for maakbaarheid.

Bron: De Dagelijkse Standaard 15 februari 2013

 

Geef een reactie